Zacht wiegde de moeder het kind in haar armen, terwijl ze het lied zong dat ze al die jaren voor al haar kinderen gezongen had. Groningse moeders huilen niet, en dat deed ze dus ook niet. Zelfs nu niet, nu ze ook haar laatste kind dreigde te verliezen aan een ziekte die geen onderscheid maakt tussen mensen.

suze naanje ik waige die
was toe wat groter, din sluig ik die

Vanochtend al vroeg stond de dood op de stoep en in de minuten daarna zag ze hoe langzaam het licht in de ogen van haar kindje doofde en de ziel op kousenvoeten het kleine lijfje verliet.Zacht zweefde het om haar heen, kuste teder haar haren, vertelde haar dat het goed was, maar dat was het niet. Ze wilde niet ook nog dit kind verliezen. Wanhopig begon ze te zingen, alsof ze met haar woorden de dood terug zou kunnen dringen. Maar de dood liet zich niet dwingen en zong zijn eigen lied.

moar doe bist mie nog veul te klain
k zal die moar wat deur de vingers zain

De ziel van haar kind zweefde als een lichtje zacht door de kamer en de deur door, naar buiten. En voordat ze begreep wat ze deed en waarom, had ze het lijfje opgetild en liep ze achter dat zwevende lichtje aan, door de stille straat van het dorp, naar het kerkhof, waar haar andere kinderen wachtten op dit laatste broertje. Maar ze weigerde het af te staan, want wat is een moeder zonder kind. Zacht begon ze weer te zingen… suze naanje ik waige die…… en terwijl ze dat deed, leek het of alle moeders van de wereld om haar heen kwamen staan. Moeders van overal en van alle tijden, die hun kind hadden verloren door een ziekte, honger, een oorlog of de zee. En hoewel moeders niet huilen en Groningse al helemaal niet, zag ze over alle gezichten tranen stromen. Tranen die als dauwdruppels zacht op het gras vielen, werden opgetild door de wind en in de takken van de bomen gehangen, waar ze zacht heen en weer wiegden op de stroom van de lucht.

Terwijl haar lichaam mee begon te bewegen, voelde ze hoe achter haar de zon de nacht wist te breken en zag ze even later de eerste zonnestralen de dauwdruppels bereiken om ze te bezielen met een licht dat zo stralend was dat ze wel dichtbij moest komen. Zo dichtbij dat ze kon zien dat de pure liefde van alle moeders om haar heen in deze dauwdruppels gespiegeld werd. Voorzichtig ving ze de ziel van haar kindje in de lucht, legde het ertussen en dekte het toe. In oneindige liefde.  

Suze naanje ik waige die….de wind nam haar woorden mee, liet ze rondzingen over de aarde. Wie oren heeft om te luisteren, hoort ze in het ruisen van de bladeren in de bomen. En wie ogen heeft om te zien, kan ze lezen. In de dauw die s’ ochtends aan de takken hangt.