Heeeeel lang geleden, leefde in een bos hier ver vandaan een jongen die kon zijn wat hij wenste. En omdat hij iedere dag iets anders wenste, en soms wel zes keer per dag, was het voor zijn ouders heel erg moeilijk om te zien dat hij in huis was, of in de tuin speelde.  Wanneer het jongetje zin had om te zwemmen, werd hij een vis. Was het ijskoud, dan wenste hij een ijsbeer te zijn die lekker bij de vijver zat te vissen. En als zijn vader hem vroeg om samen met hem zijn speelgoed op te ruimen, werd hij een vogel die snel door het raam naar buiten vloog. Soms wilde het jongetje ook gewoon zichzelf zijn. Als hij zin had om in het grote bed tussen papa en mama in slaap te vallen, of als hij honger had. Hij moest dan wel een jongetje zijn, want papa wilde geen beesten in bed en mama wilde niet dat hij als een vogeltje aan het brood zat te pikken.

Hoewel het wonderjongetje al bijna vier was, had hij nog nooit een naam gekregen. Iedere keer als zijn ouders een naam voor hem bedachten, veranderde hij in een dier, of een bloem, of zelfs in een meisje. Ze wilden hem wel Wouter noemen, maar een meisje dat Wouter heette, dat kon toch niet. En een bloem die vogel heette, was ook wel een beetje vreemd. Of een tijger die madeliefje heette, of zonnebloem, of tulp.

Toen het jongetje vier jaar werd, moest hij net als alle andere kinderen naar school. En net als alle andere kinderen, zat hij heel netjes op een stoeltje in de kring. Alle kinderen vertelden hoe ze heetten, maar juist toen het jongetje aan de beurt was, gebeurde er iets. Voor het raam danste een vlinder in de zon. Het was een vlinder die zo mooi danste, dat het jongetje nog maar één ding wenste: met haar te dansen over de wereld. En dus werd hij een prachtige vlinder die door het raam naar buiten vloog. Alle kinderen uit de klas renden erachteraan en de juf belde in paniek de vader van het jongetje die een vlinder was geworden. ‘Hij komt wel weer terug’ zei de vader, ‘een vlinder is niet zo erg. Wees maar blij dat hij geen tijger is geworden’.

Het duurde een uur, toen kwam het jongetje terug. Hij bouwde een kasteel van blokken, maakte een mooie tekening en ging daarna met de andere kinderen buiten spelen. Ze speelden met een bal, die ze naar elkaar toe lieten rollen. De bal rolde van Eva naar Jan, en van Jan naar Roos, maar net toen Roos de bal wilde pakken, kwam er ineens een grote hond aangerend. Het was het jongetje, dat zo’n zin had om de bal te pakken dat hij gewenst had dat hij een hond was. Vrolijk hapte hij naar de bal en rende ermee weg. De andere kinderen schrokken heel erg en begonnen hard te gillen. Alle kinderen, behalve Roos. Zij rende achter de hond aan, pakte hem de bal af en legde hem vast aan een touw. ‘Jij mag niet meer meespelen’, zei ze tegen het jongetje dat een hond was. Het jongetje wenste dat hij een vogel was, een muisje en een paard. Maar wat hij ook wenste, hij zat nog steeds  aan het touw waar Roos hem aan vastgebonden had. Pas toen de juf hem losmaakte, kon hij wegvliegen als een vogel. Hoog in de lucht zag hij de andere kinderen in de kring zitten. Hij kon niet horen wat ze elkaar vertelden, maar zag wel dat ze plezier hadden. Heel even wenste hij een gewoon jongetje te zijn. Eén tel later zat hij tussen de andere kinderen, in de kring. ‘Jullie mogen allemaal jullie jas pakken en naar huis gaan’ zei de juf. ‘Tot morgen!’

De volgende dag kwam het jongetje niet op school. Wel zat er die dag een nieuw meisje in de klas. ‘Hoe heet je’, vroegen alle kinderen. ‘Ik heb geen naam’ zei het meisje. ‘Vertel ons dan wie je bent’, zeiden de kinderen. ‘Ik weet niet wie ik ben’, zei het meisje.

‘gisteren was  ik een jongetje

maar vaak ben ik dat niet

morgen kan ik een konijntje zijn

of een kanariepiet

soms ben ik een zonnebloem

die wiebelt  in de wind

en als ik met jullie praten wil

verander ik in een kind’

 

Toen het meisje dit had gezegd, werden de meeste kinderen bang voor haar. Straks zou ze hen ook nog in iets anders toveren. Voorzichtig schoven ze hun stoeltjes wat verder bij haar vandaan, tot ze helemaal alleen in de kring zat. Ze vond dat niet zo fijn en bedacht dat ze weg zou gaan vliegen. Heel ver weg van deze kinderen en de juf die ook zo raar naar haar zat te kijken. Juist voordat ze kon wensen dat ze een vogel was, ging er ineens iemand naast haar zitten. Het was Roos. ‘Ik vind het wel leuk dat jij steeds iets anders bent’, zei ze. ‘Ik zou ook weleens een vogel willen zijn, of een tijger of een hond. Maar ja, ik ben gewoon mezelf.’ ‘Ik wil ook mezelf zijn’, zei het meisje opeens. ‘Ik wil met jou kunnen spelen en naast je zitten in de kring. En ik wil een naam hebben, net als iedereen.’ Voordat Roos het wist, was het meisje veranderd in een jongetje. Hetzelfde jongetje dat ze gisteren aan een touw had vastgezet. ‘He, Mus’, zei ze, ‘wat leuk dat jij weer terug bent’. Vanaf die dag heette het jongetje Mus. Dat was wel handig, want heel soms veranderde hij nog in een vogel. Dan vloog hij heel hoog door de lucht en wiebelde hij op de wind. Totdat hij op de grond een hele mooie bloem zag. Het was Roos. Een heel gewoon meisje dat nergens bang voor was. Mus vond haar het mooiste meisje dat hij kende. Zo mooi als een roos.