Onder de rivier en in een lang vergeten grot, woont een oude vrouw. Haar haren lang en grijs, vallen golvend naar beneden, haar gezicht draagt de sporen van de tijd. Vaak zit de oude vrouw buiten, terwijl ze luistert naar het stromende water boven haar hoofd. Soms zacht en kabbelend, fluisterend, soms woest en onstuimig terwijl alles wordt losgeslagen wat in modder en stenen was vastgezet. De oude vrouw heeft weet van de rivier, ze kent de stromen en de onderstromen en ze kent vooral de overstroom, die geweldige kracht die het water brengt naar hier.

Bij de rivier onder de rivier woont een oude vrouw. Soms jut ze op het natte zand, waadt op blote voeten door het water, brengt de mooiste vondsten naar haar strand. Stenen vol licht waarover een mens is gestruikeld, kleurrijke wensen die niet mochten zijn, talenten die nimmer tot bloei konden komen, emmers vol inzichten, bedolven door pijn. Ze raapt ze op, weegt ze in haar hand. Daarna sorteert ze haar schatten, legt ze in kisten en soms ook in watten en geeft de meest kostbare een plek rond haar hart. Als ze daarmee klaar is gaat ze zitten, bij de rivier, en zingt. Lokkend, verleidend en dansend, zacht en meeslepend, meedogenloos hard. Tot iemand haar roep hoort en afdaalt, naar de rivier onder de rivier en de oude vrouw in haar lang vergeten grot om terug te halen wat lang geleden losgeslagen en verloren was.

Onder de rivier, bij een lang vergeten grot, staat een vrouw. Voorzichtig neemt ze de pijn aan die de oude vrouw al die jaren voor haar bewaard heeft. ‘Luister’, zegt de oude vrouw, ‘hoor je de wens die erin roept?’ ‘Kijk, hier zijn ook je talenten, laat ze niet nog een keer vallen. En heb je ergens nog wat ruimte over? Dan geef ik je ook mijn belangrijkste inzicht mee. Laat je niet meevoeren door de rivier, beweeg niet mee met de stroom. Jij bent het water. Wees de rivier.’

De afbeelding bij dit verhaal is van Janneke Hoek.