‘Kom bij me zitten kind, voel je hoe de wind je haren streelt? Weet je dat de wind de minnaar is van moeder aarde? Heel lang geleden blies hij keihard in het vuur dat diep van binnen in haar brandde. Vonken spetterden naar alle kanten en het vuur rakelde zo hoog op dat haar huid barstte en geboortewater gutsend zeeën en rivieren deed ontstaan. Niet lang daarna werden de vissen geboren, de planten, de bomen, de dieren en de mensen. En elke keer wanneer de wind je haren streelt, word je eraan herinnerd dat levenskracht ontstond toen hij keihard in het vuur van moeder aarde blies.’

‘Wie bent u?’, vroeg de vrouw die alleen dacht te zijn. . ‘Ik ben een oude grootmoeder die ooit op dit schip voer. Ik heb heel veel mensen gekend en nog meer mensen voorbij zien komen. Sommigen komen bij me zitten, vertellen me hun verhaal. En zal ik je eens iets zeggen? Die verhalen zijn in al die jaren eigenlijk nauwelijks iets veranderd, hoewel ik moet zeggen dat ze de laatste tijd wel droever zijn geworden. Kom, geef me je koude handen eens, dan zal ik ze warmen.’ De vrouw stak haar handen, die inderdaad koud waren, uit in de richting waar ze de oude grootmoeder vermoedde. ‘Zou de wind ook in mijn vuur kunnen blazen?’, vroeg ze. ‘Jij hebt je vuur uit laten gaan. Als je wilt dat de wind erin blaast, zul je het eerst zelf weer aan moeten maken.”Hoe zou ik dat kunnen, ik heb geen idee hoe ik een vuur moet maken.”Daarom zijn die verhalen die ik hoor de laatste tijd ook zo droevig’, zei de oude grootmoeder. ‘Jullie zijn zo druk met alles waarvan je denkt dat het belangrijk is, dat je vergeet om je eigen vuur te voeden. En je denkt dat je alles weet, maar het allerbelangrijkste in het leven ben je vergeten.’

‘Vertel nog eens verder over de wind’, zei de vrouw, die even geen zin had in een preek. ‘De wind vindt het leuk om te spelen. Hij maakt geen verschil tussen mensen en kent geen grenzen. De wind komt overal, zelfs zover dat het jou maanden kost om er naartoe te zeilen. De wind pakt dingen op die de mens laat slingeren. Soms eeuwenoud en al lang vergeten, soms zaadjes waaruit iets nieuws kan ontstaan. De wind neemt ze mee, bewaart ze, tot hij de juiste persoon of plek vindt. Dan blaast hij ze in. Zo ontstaan nieuwe ideeën en gedachten en keren oude terug. ‘Hoe weet de wind wie de juiste persoon is?’ ‘De wind weet dat, doordat hij die persoon tegenkomt. Het is de vrouw die helemaal alleen op het dek zit en de man die in zijn eentje aan het roer van een schip staat. Doordat ze alleen zijn, kan de wind zich niet vergissen en doordat ze alleen zijn is het stil. Die stilte is belangrijk, want hoe zouden ze anders kunnen horen wat de wind hen inblaast. Soms heeft iemand te veel lawaai in haar hoofd, zelfs als zij alleen is. De wind voelt dat wanneer hij je haren streelt en gaat daar dan net zolang mee door tot het stil wordt.’ De oude grootmoeder zweeg, het werd stil. Zacht streelde de wind de haren van de vrouw, ergens om zich heen hoorde ze een lied ontstaan en het voelde ook alsof ze gewiegd werd door de oude grootmoeder. Voorzichtig legde ze haar handen op haar buik, diep daarbinnen voelde ze een vonk springen. Haar vuur brandde weer.’