Er was eens een jonge vrouw die zo verschrikkelijk veel van het leven hield, dat ze er elke dag opnieuw doorheen danste. Ze danste over paden en ze danste door het veld. Ze zong mee met het lied van de vogels en soms gebeurde het bovendien dat ze zomaar ineens bleef staan om iemand te omhelzen, of te jubelen van puur geluk. De mensen in het dorp spraken er schande van en ze spraken haar vader erop aan. ‘Het leven is niet bedoeld om te dansen en te zingen’, zeiden ze. ‘Het leven is bedoeld om hard te werken, geld te verdienen en een huis te bouwen. Jouw dochter is een slecht voorbeeld voor onze kinderen. Doe er iets aan.’
De vader riep zijn dochter bij zich en vertelde haar dat ze zich moest gedragen zoals iedereen dat deed. ‘Geen tijd om te zingen’, zei hij, ‘en geen ruimte om te dansen en af te wijken van het pad van de voorouders. ‘
De jonge vrouw wilde haar vader verschrikkelijk graag plezieren en in de weken daarna werkte ze dan ook hard maar hoe ze ook haar best deed, het lukte niet. Telkens opnieuw begonnen haar voeten te dansen en haar stem te zingen en het gebeurde bovendien nog steeds dat ze zomaar ineens bleef staan om iemand te omhelzen of te jubelen, van puur geluk. En dus brak de dag aan waarop de man zijn dochter opnieuw bij zich riep en haar opdroeg om het veld in te trekken en haar levenslust te offeren. Zou ze daar niet in slagen, zo zei hij, dan had hij geen andere keuze dan haar te doden en te offeren. De goden en de voorouders zouden immers boos zijn over haar onwillige gedrag.

De jonge vrouw was zo bang voor de dood en de boosheid van de goden en de voorouders, dat ze onmiddellijk deed wat haar vader haar had opgedragen en het veld introk om een plek te zoeken waar ze haar levenslust zou kunnen offeren. Het was een heerlijke avond. Hoog in de lucht scheen de zon, overal om haar heen zongen vogels hun prachtige lied. Zonder dat ze het merkte, begonnen haar voeten weer te dansen. Eerst nog op het pad, maar al snel daar vanaf. Dwars door het veld, waar ze een spoor vonden, een oud spoor. Het spoor van haar voorouders, zo besloot de jonge vrouw, het spoor dat ze van haar vader moest volgen. Verder en verder bracht het haar, tot ze bij een plek kwam waarvan ze voelde dat ze hier haar levenslust moest offeren. Hier woonden immers de voorouders. Straks zou ze dat doen. Eerst ging ze nog heel even zitten om van het leven te genieten. Te voelen hoe de wind door haar haren streek en de laatste zonnestralen van de dag op haar gezicht schenen. Onbewust sloot ze haar ogen en begon ze te zingen. Toen ze daarmee ophield, voelde ze naast zich iets bewegen. Heel voorzichtig draaide ze haar hoofd opzij. Er stegen slierten op uit de aarde, nevelige slierten die om elkaar heen dansten, een vrouw vormden met lange witte haren en een wit gewaad. De jonge vrouw schrok, ze was bang maar besloot ook dat angst geen zin had. Ze was immers gekomen om haar levenslust te offeren en meer dan dat had ze niet te verliezen. ‘Wie bent u’, vroeg ze daarom aan de witte gedaante. ‘Ik ben de Nevelvrouw. Veel mensen zijn bang voor mij omdat ze in mij de dood denken te zien, terwijl ik eigenlijk het leven ben. Wat kom je doen mijn dochter?’ ‘Ik kom mijn levenslust offeren’, zei de jonge vrouw. ‘Ik zing en dans zo graag, maar het leven is daarvoor niet bedoeld en als ik er niet in slaag mijn levenslust kwijt te raken, zal mijn vader geen andere keuze hebben dan mij te doden en te offeren. De goden en de voorouders zullen immers boos zijn over mijn onwillige gedrag.’
‘En wat is dan dood’, vroeg de Nevelvrouw. ‘De mens vergeet dat levenslust het grote verschil maakt. Als jij je levenslust begraaft, ben je dood in het leven. Ik ben levend in de dood, een heel verschil. En ik zal je nog iets zeggen. Ooit was er een tijd, de tijd waarin ik leefde, waarin iedereen deed waar zij goed in was en blij van werd. Ik kon heel goed zingen en dansen, ik kon de lucht in trilling brengen en mensen laten voelen dat ze leefden. Ik ben jouw voorouder en ik vraag je: volg mijn pad. Doe waar je goed in bent en blij van wordt. Zing, dans, leef!’ Daarna begon de Nevelvrouw te dansen en terwijl ze dat deed, leek het alsof ze iets uit de aarde trok. Een trommel, die ze in de handen van de jonge vrouw legde. ‘Dit is mijn erfenis voor jou’, zei ze, ‘en ik vraag je om erop te spelen. Breng de lucht in trilling, laat mensen voelen dat ze leven. Zing, dans, leef.’ Terwijl de Nevelvrouw verdween, begon de jonge vrouw voorzichtig op de trommel te spelen. Eerst nog zacht, maar al snel steeds harder. In de verte zag ze haar vader naderen, trommelend daagde ze hem uit maar hij bleef staan. Hij zag dat levenslust het sterkst was.

© marlijn nijboer