De dochter van het moeras was mooi. Ze was zo mooi met haar koperen haren, groene ogen en verleidelijke rondingen, dat menig man in het moeras belandde voordat hij besefte dat de schoonheid die hij gevolgd was, beschikte over leven en dood. De dochter van het moeras was ook sterk. Ze kon de wind een andere kant op laten waaien en de zon dwingen om te schijnen. Ze beheerste lucht en water en zelfs het vuur kwam uit de hemel wanneer zij daartoe het bevel gaf. Ze heerste over alles en was gewend te krijgen wat ze wilde en toen ze dan ook op een dag haar blik liet vallen op de mooiste zoon van de rivier, dacht ze dat enkele verleidelijke blikken en een zwoel lied genoeg zouden zijn om hem naar het moeras te lokken en tot de hare te maken. De blonde rivierzoon bleef echter waar hij was en lachte slechts. ‘Je bent mooi’, zei hij, ‘en sterk’. ‘Je heerst over het moeras en over leven en dood van velen, je kunt de zon dwingen om jou in vuur en vlam te zitten en de wind laten komen en gaan. Maar heb jij ook de moed om je met mij te verbinden, durf jij je over te geven aan de stroom? Zolang je dat niet kunt, ben je niet geschikt als mijn vrouw.’

De dochter van het moeras ontstak in grote woede bij de woorden van de rivierzoon. Ze werd zo kwaad dat ze de allergrootste kracht in zichzelf ontketende en haar eigen schaduw te voorschijn riep. Voordat ze wist wat er gebeurde, werd ze besprongen door een ijzingwekkende angst. Ze duwde en trok, stampte en tierde, maar het hielp niet. De schaduw had haar te pakken en toverde het ene waanbeeld na het andere tevoorschijn. Ze zag hoe haar vader zijn jongste dochter tot opvolger kroonde, ze zag hoe iedereen die ze in het moeras had laten sterven tevoorschijn kroop en haar beschimpte vanwege haar zwakte en ze zag hoe de zoon van de rivier de dochter van de zee verleidde en met haar een verbinding aanging. Ze werd zo verschrikkelijk kwaad dat ze het vuur uit de hemel trok en een boom in tweeën liet delen. De zoon van de rivier bleef op een haar na heel. Die ene haar nam zij van hem af, vlak voordat ze vluchtte.

Dagen, maanden en misschien zelfs een jaar trok de moerasheks voort en overal waar ze kwam trof ze de schaduw waarvoor ze op de loop was en vernietigde ze in grote woede alles wat haar in de weg stond. Tot ze op een dag zo moe was van het vechten en het vluchten dat ze zich in wanhoop op de grond liet vallen en de ogen sloot om even later te merken dat iets of iemand zich over haar heen boog. Ze wilde een vervloeking krijsen, maar er kwam geen geluid over haar lippen. ‘Je mag me best vervloeken als je dat prettig vindt’, hoorde ze een stem zeggen. ‘Ik ben al oud en ik heb mijn leven ten volle geleefd. Ik heb alles gekregen en niets te verliezen, ik ben niet bang voor je.’ De moerasheks opende haar ogen en zag een vrouw met vriendelijke ogen en een gezicht met zoveel lijnen dat het leek alsof ieder verhaal erin verteld werd. ‘Waarom maak je alles kapot mijn dochter’, vroeg de oude vrouw. ‘Omdat ik achtervolgd wordt door iets dat zo zwart en koud is dat ik er wel voor moet vluchten en omdat het mij niet lukt om het te vernietigen, maak ik alles kapot waarvoor ik wel de kracht heb.”Jij beschikt over leven en dood van velen’, zei de oude vrouw, ‘je dwingt de wind om voor je te buigen en toch vlucht je voor deze schaduw. Kom, sta op, kijk haar in de ogen, je bent sterk genoeg. Maar probeer haar niet te vernietigen, je zou slechts jezelf kapot maken.’ De dochter van het moeras boog het hoofd. Daarna stond ze langzaam op en keek recht in de ogen van de schaduw die haar nu in stilte stond aan te kijken. ‘Wie ben je en wat wil je van me.’ ‘Ik ben alles wat jij niet wilt zijn’, zei de schaduw. ‘Ik ben jouw kwetsbaarheid en je kracht, je lelijkheid en ook je schoonheid, je allergrootste angst en je allerdiepste wens. Geef me je hand, verbind je met mij.’ Voetje voor voetje kwam de dochter van het moeras dichterbij. De schaduw pakte haar hand. ‘Kom’, zei ze, ‘ik zal je iets moois laten zien’.

Het was al laat toen de dochter van het moeras bij de vlonder kwam waar ze de zoon van de rivier voor het laatst gezien had. Ze ging zitten en het duurde niet zolang of de rivierzoon kwam tevoorschijn uit de stroom. Hij keek naar haar, vond dat ze veranderd was. Zachter, en nog vele malen mooier dan hij zich herinnerde. ‘Ik kom je jouw haar terugbrengen’, zei de vrouw, ‘en je mijn vriendschap aanbieden’. ‘Misschien wil je naast me zitten, voelen hoe het water onder ons zacht stroomt en toch sterker is dan wij. Wij kunnen immers wel een steen verleggen in een rivier op aarde, maar we hebben nooit genoeg kracht om de rivier te laten stoppen met stromen. Misschien is overgave wel de grootste kracht. Zie je die meikever? Het lijkt of hij niets anders doet dan heen en weer bewegen op een grasspriet in de wind, maar eigenlijk doet hij het allermoeilijkste. Hij beweegt mee. Hij leeft.