‘Wow’, zei Muis, terwijl ze zo hoog mogelijk op haar pootjes ging staan. ‘WOW.’ Daarna was ze stil. Zo stil dat Konijn haar pas opmerkte toen ze tegen Muis aanbotste. ‘Wat doe je Muis’, vroeg ze nadat ze van de schrik bekomen was. ‘Ik kijk naar de lichtpuntjes in de lucht’, antwoordde Muis. ‘Het zijn er zo verschrikkelijk veel dat ik niet snap waarom ik ze nooit eerder gezien heb. Zie je dat er figuren inzitten? Het lijkt wel of ze een verhaal vertellen.’ Konijn keek nu ook naar de lucht en ging evenals Muis op haar achterpoten staan. ‘Wow’, zei ook zij nu. ‘WOW.’ In diepe verwondering keken beide dieren omhoog.  Zo diep dat ze niet merkten dat Uil kwam aanvliegen en op een tak van de dichtstbijzijnde boom landde.

Hoog in de boom zat ook Uil zich te verwonderen. Niet over lichtpuntjes, hoewel de gedachte aan een overvloedig wintermaal dat zonder al te veel moeite verkregen zou kunnen worden, hem een bijzonder lichtpunt scheen. De verwondering over het gedrag van Muis en Konijn won het echter van zijn eetlust en veranderde al snel in een tomeloze nieuwsgierigheid. ‘Wat doen jullie’, vroeg hij aan Muis en Konijn die zo van hem schrokken dat ze beide met een klap op aarde landden. ‘We kijken naar de lichtpuntjes in de lucht’, antwoordde de dapperste van de twee. ‘Weet jij hoe die daar komen Uil?’ Uil had eerlijk gezegd geen idee, maar wilde zo graag wijs en verstandig worden gevonden, dat hij snel een antwoord bedacht. ‘Niet alleen hier bij ons, ook daar wonen dieren’, zei hij. ‘Als het licht bij ons verdwijnt, vangen zij het en omdat ze dat enorme licht niet in hun eentje kunnen vasthouden, pakken ze allemaal een stukje. De sterkste dieren houden uiteraard het grootste lichtpunt vast. ‘Dat is die daar’, wees Muis naar de volle maan die door de takken scheen. ‘Ik denk dat daar een muis achter zit.’

Uil vond dit idee zo grappig dat hij bijna van zijn tak viel van het lachen. Gelukkig redde Konijn hem met een nieuwe vraag. ‘Denk je dat die lichtpuntjes een verhaal vertellen?’ ‘Natuurlijk doen ze dat’, zei Uil. ‘Ze vertellen dat we niet bang hoeven te zijn dat het altijd donker blijft. Zolang daar lichtpuntjes zijn, is er hoop dat het hier weer licht wordt.’ ‘Waarom zag ik die lichtpuntjes niet eerder?’, vroeg Muis. ‘Omdat de blaadjes van de bomen ervoor hingen’, zei Uil, die eindelijk iets zeker meende te weten en met een grinnik in zijn stem verder ging. ‘‘En omdat je zo bang voor uilen bent, dat je meestal alleen mij ziet als je naar boven kijkt.’

Muis moest hier wel even van slikken. Toen ze daarmee klaar was, keek ze Uil dapper in de ogen. ‘In jouw ogen zitten ook lichtpuntjes Uil’, zei ze verbaasd. ‘In die van jullie ook’, antwoordde Uil, terwijl hij knipperend met zijn ogen naar beneden keek. Verwonderd keken Muis en Konijn elkaar aan. ‘Wij dragen ook lichtpuntjes’, zei Konijn. ‘En die van jou lijken sprekend op het grootste lichtpunt in de lucht, Muis.’ ‘Wow’, antwoordde Muis zacht, terwijl ze opnieuw een verwonderde blik in haar ogen kreeg. ‘wow.’.

Illustratie: Janneke Hoek