Het was donker op aarde, en stil. Vogels waren naar warmere streken gevlogen en nu ze toch amper nog bewoners hadden, hadden de bomen hun blaadjes laten vallen. De bloemen waren dood en wat er van de planten over was leek, net als sommige dieren, in winterslaap te zijn. Het enige levende wezen in de wijde omtrek was een muisje dat bibberend aan de rand van bos en waterland zat. Ze voelde zich alleen en tegelijkertijd ook niet. Want hoe verlatener de wereld om haar heen was, hoe drukker bevolkt haar hoofd leek. Alsof alle muizen van de wereld zich daarin verzameld hadden. Het kabaal in haar hoofd was zo groot dat het muisje pas merkte dat Uil naast haar geland was, toen deze begon te praten. Van schrik sprong ze hoog de lucht in. De muizen in haar hoofd leken daar dan weer van te schrikken. Het was op slag stil in haar hoofd.

‘Wat is er met jou aan de hand?’, vroeg Uil. ‘Ik had je wel kunnen opeten.’ Muis keek Uil verwijtend aan. ‘Ik luisterde naar de muizen in mijn hoofd’, zei ze toen. ‘Zeiden ze iets goeds?’, vroeg Uil. ‘Ze zeiden dat overal gevaren loeren en dat alles mis gaat’, piepte Muis. ‘Daar heb je dus niks aan’, bromde Uil. ‘Ben jij niet bang voor het donker en de stilte, Uil’, vroeg Muis. ‘Nee’, zei Uil, ‘ik houd er juist van’. ‘Als het stil en donker is, hoor en zie ik alles beter. Soms wordt het in mij even stil en donker als om mij heen en misschien zie ik dan wel het meest. Je zou het ook eens moeten proberen.’ Daarna zweeg Uil en zaten ze samen stil in het grote donker tot de zon opkwam. ‘Licht’, dacht Muis voordat ze in slaap viel. Zacht dekte Uil haar toe met de blaadjes die een boom had laten vallen.

Verhaal: Marlijn Nijboer / illustratie: Janneke Hoek www.jannekehoek.nl