Ach nee, dat is onzin. In het begin was er zeker iets. En voor dat begin was er ook al heel veel. Eén dikke klont energie. Of een wolk, een hart of misschien zelfs wel een ballon. Welke vorm het ook had, het zat boordevol energie. Zo vol dat er geen ruimte was. Zelfs geen ruimte voor tijd. Tijd en ruimte bestonden daarom niet. Totdat die wolk of dat hart of die ballon barstte van energie. Het spetterde alle kanten uit. Ineens was er ruimte. De tijd begon te tikken. 13.700 miljoen jaar geleden.

Toen het eenmaal begonnen was, dijde het heelal snel uit. Hoewel heel-al een raar woord is. Alles wat eerst heel was, was nu immers gebroken en zwom rond in een gloeiend hete oersoep die langzaam afkoelde. Misschien dat iemand erin roerde of eroverheen blies. Alles bewoog in ieder geval alle kanten uit terwijl het heelal steeds groter groeide en zoveel afkoelde dat sommige deeltjes in die soep hard werden. De rest van de soep werd omgetoverd tot piepkleine deeltjes waterstofgas die met een klein beetje geluk water konden worden. Dat kleine beetje geluk heette zuurstof, een ingrediënt dat helaas nog ontbrak in de keuken van de oerkracht die hier aan het toveren was.

De waterstofgasdeeltjes zweefden vrolijk rond in de ruimte. Soms verbonden ze zich met elkaar en vormden ze samen dikke gaswolken waarin magische bevruchtingen plaatsvonden. De eerste sterren werden geboren.
Evenals mensen, stootten die sterren elkaar af en trokken ze elkaar aan. Sommige sterren gingen zelfs zover dat ze groepjes vormden. Eén van die groepjes was onze Melkweg die tienduizend miljoen jaar geleden voor het eerst aan de hemel schitterde.
Ook sterren sterven vroeg of laat. Niet in stilte en ook niet met een laatste ademtocht, maar op dezelfde manier als het heelal ontstond: met een knallende explosie. Alsof iemand een enorme wind liet. De gaswolken die hieruit ontstonden, vormden de ideale baarmoeder voor nieuwe sterren. Dankzij iedere ster die stierf, ontstonden zo tientallen en misschien zelfs wel honderdtallen nieuwe. De derde generatie zorgde ervoor dat wij nu het licht zien: zon werd geboren. Precies op tijd, want maar iets meer dan 200 miljoen jaar later kwam Aarde tevoorschijn. 4560 miljoen jaar geleden.

Aarde was eerst bloedheet. Zo heet dat niemand eroverheen kon ademen, als er al iemand geweest was. Tot een andere planeet op haar botste. De enorme klap die dit gaf, zorgde ervoor dat een hoop materie de ruimte in werd geslingerd. Onze maan ontstond. De resten van de botsende planeten smolten samen. Aarde koelde daardoor ietsje af en nog meer toen het ijskometen begon te hagelen. De kometen sloegen in, het ijs smolt en liet oceanen vol water lopen en gesteenten ontstaan. Zware gesteenten zonken naar het binnenste van Aarde, lichte gesteenten kwamen op haar huid te liggen. Af en toe spuugde ze vuur. Misschien is haar ware aard wel Draak.

3800 miljoen jaar geleden begon het leven op Aarde. Dat stelde eerst niet zoveel voor. Oerbacteriën die in de zeeën zweefden en miljoenen jaren lang het rijk alleen hadden. Tot er, als bij toverslag, een wel hele bijzondere explosie plaatsvond. Een explosie van leven dit keer. Duizenden dieren in allerlei soorten, kleuren en maten vulden de oceanen. Schattige visjes, zee-egels en roggen, maar ook monsters uit je grootste nachtmerrie. Schorpioenen met messcherpe tanden en haaien van soms wel 15 meter lang.
Hoewel de zeeën in de jaren daarna een levendig geheel waren, was Aarde daarbuiten nog woest en ledig. Toch was er hoop, want rond haar ontstond langzaam een laag die ervoor zorgde dat ze beschermd werd tegen de hitte en de straling van de zon. Alsof iets of iemand begreep wat ze nodig had om tot bloei te komen. Gelukkig maar, want dankzij die bescherming kreeg ze langzaam vlees op haar botten. Vlees waaruit mossen groeiden, varens en al heel snel ook bomen. Aarde kleurde groen en niet lang daarna misschien ook wel rood, geel en paars. De slingers hingen klaar, alles wachtte. Hoewel geen monster nog weet had van wat haar boven het hoofd hing.

Het was vast en zeker een feestelijke dag, 360 miljoen jaar geleden, toen het eerste dier vanuit de zee het land opkroop. Een beetje mens zou daarvan een historisch en roemrijk verslag gemaakt hebben, maar helaas was het geen mens die voet aan land zette en misschien mocht de prestatie in de ogen van de betrokkenen zelfs wel geen naam hebben. Toch betekende deze kleine stap voor een dier een reuzenstap voor het leven op Aarde. Tien miljoen jaar later liep hier in ieder geval een grote variatie aan reuzen rond. Enorme pissebedden, joekels van duizendpoten, gigantische schorpioenen, de grootste hagedissen ooit en reuzenkrokodillen. Het Aardse leven was groots en meeslepend. Tot een eveneens reusachtige vulkaanuitbarsting alles in de as legde. Bijna alle dieren in zee stierven uit, evenals driekwart van de dieren op het land.

Ieder einde draagt een nieuw begin in zich, ook hier. Het Aardse leven herrees in ieder geval als een feniks uit de as en ook nu weer werd Aarde ruimschoots bevolkt door mythische reuzenwezens waaruit telkens opnieuw andere fantastische dieren voortkwamen. Toen de meeste van hen dankzij een meteorietinslag uitgestorven raakten, ontstond eindelijk ruimte voor iets minder imposante schepselen. 7 miljoen jaar geleden werden de eerste mensachtigen geboren. Ons soort mensen liet daarna nog meer dan zesenhalf miljoen jaar op zich wachten. 300.000 jaar geleden was het eindelijk zover, onze oervader of oermoeder zag het licht. Ook deze kleine stap voor een mens betekende een reuzenstap voor het leven op Aarde. Een reuzenstap die achteraf beschouwd misschien wel het effect heeft van een vulkaanuitbarsting. Maar dat is achteraf, en zoals de geschiedenis laat zien, zijn het juist de vulkaanuitbarstingen en andere explosies die hoop bieden. Ieder einde draagt immers telkens weer een nieuw begin in zich.

De tijd tikt door.

Copyright 2020: Marlijn Nijboer (verhaal) en Janneke Hoek (illustratie)