Het was een doodgewone dag toen de vlinder besloot dat het tijd werd om haar vleugels te ontvouwen. Voorzichtig kroop ze uit de cocon die haar al die maanden beschermd had en haar nu niet meer diende. Ze verlangde naar de zon die haar verleidde door zijn stralen te strekken.

‘Een wonder’, klonk het toen ze zich bevrijd had. Verbaasd keek ze om zich heen. Vlakbij haar stond het meest vreemde wezen dat ze ooit gezien had. Niet genoeg takken om een boom te zijn, te weinig poten om een rups te zijn en ook geen vleugels aan het lijf. Een beetje zielig vond ze het, dit wezen dat niets van enig belang leek te zijn en verre van het wonder waarover het sprak. ‘Wat ben je’, vroeg ze, maar de ander verstond haar niet en eigenlijk was dat vreemd want zij had haar immers duidelijk kunnen horen. ‘Verkeerd verbonden’, dacht ze, terwijl ze haar blik verruimde om te kunnen luisteren naar het zuchten van de wind. Ze had nog nooit muziek gehoord en toch wist ze dat dit de allermooiste was.

‘Dans met mij’, fluisterde de wind terwijl hij haar wiegde. ‘Ik weet niet of ik durf’, sprak ze, ‘het is wel fijn om hier nog even te hangen voordat ik mij in avonturen stort’. ‘Als je bang bent, had je jezelf niet hoeven bevrijden’, blies de wind terwijl hij de tak waaraan de vlinder hing wild op en neer deed dansen. Ze vond het eigenlijk wel leuk. ‘Blaas nog eens’, vleide ze. Als antwoord streek hij langs haar vleugels. Het voelde zo heerlijk dat ze alles losliet.

Ergens bij een verlaten tak stond een mens een vlinder na te kijken. Een zachte bries streek door zijn haar haren, langs een oor, als woorden die niet landen willen. Heel even keek de vlinder om, om in een flits te zien wat dit vreemde wezen bedoelde toen het van een wonder sprak. Het leven was een wonder. Maar om het te vieren, moet je de wind willen verstaan en op vleugels kunnen gaan.

Foto: Jolijt Dijkstra

Meer verhalen lezen.